Tot voor kort ontstond er veel onduidelijkheid over de toepassing van het percentage normaal maatschappelijk risico bij planschadezaken. Met de recente uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Raad van State) van 3 november 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2402, lijkt hier verandering in te komen. In deze uitspraak geeft zij namelijk handvatten voor de uitvoeringspraktijk van de beoordeling welk percentage als normaal maatschappelijk risico moet worden gehanteerd. Voordat hierop specifiek wordt ingegaan, zal eerst worden stilgestaan bij de vraag wat het normaal maatschappelijk risico precies inhoudt.
De uitspraak van 21 november 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX6492 is (onder meer) van belang. In deze uitspraak bepaalde de Raad van State welke criteria in acht moeten worden genomen bij de bepaling of eventuele planschade op grond van het normaal maatschappelijk risico voor rekening van aanvrager moet blijven en in welke gevallen reden bestaat om een hoger percentage aan normaal maatschappelijk risico te hanteren dan het minimum forfait van 2%. Het belangrijkste uitgangspunt daarbij was:
“Van belang is onder meer of de planologische ontwikkeling als een normale maatschappelijke ontwikkeling kan worden beschouwd waarmee de benadeelde rekening had kunnen houden in die zin dat de ontwikkeling in de lijn der verwachtingen lag, ook al bestond geen concreet zicht op de omvang waarin, de plaats waar en het moment waarop de ontwikkeling zich zou voordoen. In dit verband komt betekenis toe aan de mate waarin de ontwikkeling naar haar aard en omvang binnen de ruimtelijke structuur van de omgeving en het gevoerde planologische beleid past. Omstandigheden die verder van belang kunnen zijn, zijn de afstand van de locatie waar de ontwikkeling heeft plaatsgevonden tot de onroerende zaak van de aanvrager en de aard en de omvang van het door de ontwikkeling veroorzaakte nadeel.”
Kortom, van belang is dus hoe de ontwikkeling naar haar aard en omvang binnen de ruimtelijke structuur van de omgeving en het gevoerde planologische beleid past. Vanzelfsprekend leidde dit tot een scala aan jurisprudentie over de toepassing van het percentage, waarbij sommige situaties door de Raad van State verder zijn uitgekristalliseerd.
Zo is bijvoorbeeld in het overzichtsarrest over planschade van 28 september 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2582) bepaalt dat een percentage van 5% kan worden gehanteerd, indien sprake is van waardevermindering van een onroerende zaak als gevolg van woningbouw op een inbreidingslocatie van een bestaande woonkern, waarbij die woningbouw in de lijn der verwachtingen lag. Niet veel later heeft de Raad van State in haar uitspraak van 8 augustus 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2620, bepaalt dat dit ook geldt voor de situatie waarbij de desbetreffende locatie geen zuivere inbreidingslocatie is, maar tevens de kenmerken van een uitbreidingslocatie vertoont (voor de helderheid, een inbreidingslocatie houdt in dat sprake is van bebouwing op een grondgebied dat reeds omsloten is door gebouwen, terwijl een uitbreidingslocatie daarentegen ziet op het bebouwen van nieuwe terreinen buiten de grenzen van de bebouwde omgeving).
Indien er sprake is van een uitbreidingslocatie en niet van een inbreidingslocatie of een mengvorm van beide, dan kan een drempel van 5% alleen gehanteerd worden indien (I) de planologische ontwikkeling, naar haar aard en omvang, binnen de ruimtelijke structuur van de omgeving én (II) binnen het gedurende een reeks van jaren gevoerde ruimtelijke beleid past, aldus de Raad van State in de uitspraak van 29 januari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:280.
Naar aanleiding van de vele jurisprudentie is uiteindelijk veel onduidelijkheid ontstaan. Zo ontstond er geen duidelijkheid over de vraag welk percentage als normaal maatschappelijk risico moest worden gehanteerd, indien niet aan alle, maar steeds aan enkele criteria werd voldaan. Deze onduidelijk heeft de Raad van State grotendeels weggenomen met haar recente uitspraak van 3 november 2021. Allereerst heeft de Raad van State in deze uitspraak een overzicht gegeven van alle heersende jurisprudentie. Vervolgens wordt in r.o. 7.15 het toetsingskader verder uitgewerkt:
De Afdeling zal voor het bepalen voor de hoogte van de drempel de volgende handvatten geven. Indien de ontwikkeling naar haar aard en omvang binnen de ruimtelijke structuur van de omgeving en het gedurende een reeks van jaren gevoerde ruimtelijke beleid past, mag het bestuursorgaan een drempel van 5 procent van de waarde van de onroerende zaak toepassen. Indien aan één van beide indicatoren maar voor een deel wordt voldaan, is het hanteren van een drempel van 4 procent in beginsel aangewezen. Indien aan één van beide indicatoren in zijn geheel niet wordt voldaan of indien aan beide indicatoren deels wordt voldaan, is het hanteren van een drempel van 3 procent in beginsel aangewezen. Indien slechts aan één van beide indicatoren voor een deel wordt voldaan, of indien aan beide indicatoren in het geheel niet wordt voldaan, is in beginsel het toepassen van het minimumforfait van 2 procent, zoals bedoeld in artikel 6.2, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wro aangewezen.
Aan de hand hiervan besluit de Raad van State in deze procedure een drempel van 3% toe te passen en niet een drempel van 4% zoals de rechtbank wel had gedaan. De Raad van State geeft hierbij aan dat het in deze zaak gaat om een normale maatschappelijke ontwikkeling, die past in het gedurende een reeks van jaren gevoerde beleid, maar die niet past in de bestaande ruimtelijke structuur van de omgeving. Daarbij sluit zij aan bij het advies van STAB dat was opgesteld. Daarin werd geconcludeerd dat de ontwikkeling niet binnen de ruimtelijke structuur van de omgeving past, omdat de structuur nabij de woning van appellanten van solitaire lintbebouwing (=lineaire bebouwing zonder achterliggende rijen woningen) in het gebied is vervangen door een aaneengesloten lint en omdat achter hun woning in de nieuwe situatie sprake is van een geheel nieuw stratenplan op voormalige agrarische gronden. Dit maakt dat de ontwikkeling niet geheel ‘‘in de lijn der verwachting lag’’, aangezien aan een van de daarvoor geldende indicatoren in zijn geheel niet is voldaan. Naar het oordeel van de Afdeling is hiermee de toegepaste drempel van 4 procent onvoldoende gemotiveerd (r.o. 8.4). Kortom, in plaats van een ‘‘eigen risico’’ van 4% bleef het 3%. Stel dat de schade in deze procedure € 1.000.000,- bedroeg, dan betekent 1% toch een verschil van € 10.000,-, wat nu wèl werd vergoed.
Loopt u in de praktijk tegen een planologische ontwikkeling aan in uw directe omgeving en bent u van mening dat u daardoor schade lijdt? Weet dat u dan mogelijk recht heeft op vergoeding van die schade! Dan zult u bij het indienen van een verzoek ervoor zorg moeten dragen dat het percentage van het normaal maatschappelijk risico zo laag mogelijk wordt vastgesteld, zodat het bedrag voor u zo hoog mogelijk is. Heeft u een vraag over het planschaderecht, of wilt u meer weten hierover? Neem dan contact op met Sarah el Yaacoubi.
Nog beter is het om al vóór de planologische ontwikkeling aan de bel te trekken bij de ontwikkelaar of bouwer, maar dat zal ik in een latere blog behandelen.
Omdat wij goed zijn in ons vak, kunnen we u helpen om uit te blinken in úw business. Wij hebben hart voor ondernemers en we geloven in duurzame partnerships. Daarbij denken we liever in oplossingen dan in belemmeringen. En we blijven altijd nieuwsgierig.
Stationsplein 17A 3818 LE Amersfoort
T +31 33 422 1900
M info@mend.nl